Het was al eerder voorgekomen dat een jaar niet bestond uit 365 of 366 dagen. In 46 voor Christus was het jaar zelfs 445 dagen lang, er werden toen aan februari 23 dagen en aan november 57 dagen toegevoegd. Julius Caesar was daar verantwoordelijk voor, op advies van zijn hofastronoom.

Bij de Romeinen was de kalender voordat Julius Caesar de macht greep een politiek machtsmiddel. De Romeinse politici misbruikten de tijd om te intrigeren. De maanden werden bijvoorbeeld langer gemaakt om de eigen ambtstermijn te verlengen en men probeerde er weer een maandverkorting door te drukken als de tegenstander aan de macht was. Astronoom Sposigenes ontdekte dat de tijd in het Romeinse rijk op een gegeven moment twee maanden achterliep bij de loop van de seizoenen. Julius Caesar corrigeerde in een klap de achterstand door aan het eerder genoemd jaar 80 dagen toe te voegen.
Uitgangspunt voor de Juliaanse kalender werd de zonnekalender, de tijd waarin de zon één keer om de aarde draait (we weten nu dat de aarde om de zon draait en dat de omwenteling precies 365 dagen, 5 uur, 48 minuten en 46,43 seconden duurt.)
De hofastronoom had verzekerd dat door één keer per vier jaar een dag aan het jaar toe te voegen de tijd gelijk zou lopen en zo werd het eens in de vier jaar schrikkeljaar en kreeg februari in zo'n jaar 30 dagen. Op de Juliaanse kalender bestond februari nog uit 29 dagen.
Keizer Augustus vond zichzelf  zo belangrijk dat hij z'n eigen maand ook 31 dagen wilde laten tellen. In het jaar 3 na Christus heeft hij  die 29e dag van februari weggehaald om hem aan zijn eigen maand augustus toe te voegen, zodat ook augustus 31 dagen werd evenals de maand juli, die naar keizer Julius was genoemd. Daarom heeft februari nog steeds slechts 28 dagen.
In de zestiende eeuw ten tijde van Paus Gregorius XIII ontdekte men dat de tijdrekening van Sosigenes en Julius Caesar toch niet helemaal nauwkeurig was. Het jaar was niet 365 dagen en zes uur, maar 365 dagen, vijf uur en 48 minuten, dus een verschil van 12 minuten.
Op advies van Aloisius Lilius kwam Paus Gregorius  in 1582 met de volgende oplossing: eeuwjaren die deelbaar zijn door 400 zijn geen schrikkeljaren, dus 1800, 1900, 2100 etc., hoewel deelbaar door 4, zijn geen schrikkeljaren. De opgelopen achterstand  moest natuurlijk ook hersteld worden. Paus Gregorius  koos de oplossing van Julius Caesar door rigoureus na 4 oktober onmiddellijk 15 oktober te laten volgen in Italie. Spanje en Portugal namen direct de nieuwe Gregoriaanse kalender over, maar  toch  ging de kalender in Europa erg ongelijk lopen. Nog in datzelfde jaar gingen nog enkele andere landen in één nacht van 9 december over op 20 december.
Frans van Alençon, hertog van Anjou, die over een deel van de Nederlanden regeerde, liet de kalender van 14 december naar 25 december verspringen, maar hij vertelde in het protestantse Nederland niet dat de verandering van de Paus kwam. Engeland aarzelde tot 1752 en Rusland tot 1918 met de aanpassing.

Ook dat gebeurde in 1582 toen Heinrich Barfeld werd geboren.
1582, het jaar dat 10 dagen korter was
terug